Afbeelding

J.M. Krijger Jr. (1874-1951)

Algemeen

Tot de weinigen die Tweede Kamerlid werden en afkomstig waren van Schouwen-Duiveland behoorde J.M. Krijger Jr. Van 1922 tot 1946 maakte hij daarvan deel uit, met een onderbreking gedurende de oorlog toen het parlement buiten werking werd gesteld.

Jan Machiel Krijger werd geboren te Bruinisse als zoon van timmerman Marinus Krijger en Janna van den Berge. De toevoeging van junior achter zijn naam was ter onderscheiding van een oudere neef. In het spoor van zijn vader werd Jan timmerman, maar ontwikkelde zich ook tot architect. Zo ontwierp hij in 1896 een van de huizen bij Oosterland langs de Rijksweg. Hij was eveneens betrokken bij de vergroting van de Hervormde kerk in zijn geboorteplaats. In 1898 trad Jan in dienst van Rijkswaterstaat en had verschillende standplaatsen zoals Zwolle, Hardenberg, Geertruidenberg en Terschelling. Geleidelijk klom hij op tot hij in 1918 bevorderd werd tot technisch ambtenaar eerste klasse. Vervolgens werd Krijger assistent aan de Technische school te Delft.

Inmiddels had de politiek zijn interesse. Van huis uit rechtzinnig Hervormd kwam Jan Krijger uit bij de Christelijk Historische Unie. Van het hoofdbestuur van die partij maakte hij deel uit. Die partij gaf een krant uit: De Nederlander, waarvan Krijger in 1921 directeur werd. Hij vergat zijn geboortedorp niet. Eind 1921 vervulde hij een spreekbeurt in de openbare lagere school. Hij sprak daar over ‘De politieke taak van man en vrouw’. In zijn toespraak wekte hij vooral de vrouwen op zich aan te sluiten bij de C.H.U. De bedoeling was een afdeling van de C.H.U. in Bruinisse op te richten. Aan het eind van de avond kon men zich als lid opgeven wat enkelen deden. Vermoedelijk waren daar geen vrouwen bij want daarover wordt in het krantenverslag niet gerept.

Het jaar daarop, op 24 juni 1922, sprak Jan Krijger opnieuw in Bruinisse. Dit keer was dat in het kader van de verkiezing voor de Tweede Kamer want hij stond op de kandidatenlijst. Hij betoogde die zaterdagavond dat de C.H.U. de beste waarborg bood voor handhaving van het gezag. Ook zette hij zich die avond af tegen de concurrent van de C.H.U., de Anti-Revolutionaire Partij. Jan Krijger werd een maand later beëdigd als lid van de Tweede Kamer. Daar bestreed hij op felle wijze de Hervormd-Gereformeerde Staatspartij van ds. Lingbeek, een afsplitsing van de C.H.U. Net zoals andere leden van de C.H.U. stond Krijger kritisch tegenover samenwerking met de rooms-katholieken.

In 1931 verhuisde hij naar Vriezenveen (Twente) want van die gemeente werd hij burgemeester. Het kamerlidmaatschap beëindigde hij twee jaar later. Onverwacht werd Krijger toch weer kamerlid omdat een ander voor het lidmaatschap bedankte. In datzelfde jaar 1933 nam hij ontslag als burgemeester maar bleef in Vriezenveen wonen. In de kamer sprak Krijger veelal uitgebreid en met hoge spreeksnelheid. Daarbij verloor hij zich nogal eens in details. Na de oorlog was Krijger lid van het noodparlement. In maart 1946 bedankte hij voor de C.H.U. Die partij had zich uitgesproken voor contacten met de Antirevolutionairen, een besluit waar Krijger en anderen zich niet mee konden verenigen. Een nieuwe partij, de Protestantse Unie, werd opgericht waarvan hij voorzitter en lijsttrekker werd. Een kamerzetel behaalde de partij niet. Krijger was ook voorzitter van de Nederlandse Protestants-Christelijke Schippersbond en lid van het hoofdbestuur van de N.C.R.V. Daarnaast vervulde hij nog enkele andere bestuursfunctie en was ouderling en lid van het provinciaal kerkbestuur van Overijssel. Krijger was gehuwd met Johanna Huberdina Hupscher. Een zoon van hem, Marinus Krijger, werd burgemeester van Lemsterland. In Vriezenveen is een straat vernoemd naar J.M. Krijger.

Huib Uil

Meer nieuws