Afbeelding

Ambtelijke welsprekendheid

Column

Een toespraak houden is een talent waarmee niet elke spreker is toegerust. Wie het niet kan en niet leert, mist een aandachtig publiek. Daarentegen degene die zijn luisteraars weet te boeien, weet zich een goed redenaar. In 1936 verscheen van de hand van J.H. de Goede jr. bij uitgeverij N. Samson in Alphen aan den Rijn een boek om te leren spreken: Ambtelijke welsprekendheid. Het was bedoeld voor degenen die bij de gemeenten werkten en geroepen werden om in het openbaar te spreken.

Eerst iets over de auteur. Jacobus Hendrik de Goede junior (1908-1996) was de zoon van de gelijknamige hoofdcommies bij de provincie Gelderland. De zoon koos ook voor de overheid en werkte eerst bij de provinciale waterstaat in Gelderland, later bij de gemeente Rheden. In 1941 ging hij naar Den Haag waar hij bij het ministerie van Binnenlandse Zaken werkzaam was als adjunct-inspecteur van de bevolkingsregisters. Twee jaar later werd hij inspecteur maar nog in datzelfde jaar 1943 nam hij ontslag. In 1947 werd De Goede burgemeester van Gramsbergen en in 1958 van de aangrenzende gemeente Hardenberg. De Goede, die behoorde tot de Antirevolutionaire Partij, sloot zijn loopbaan af als burgemeester van Hoogeveen.

De auteur begon met uiteen te zetten wat welsprekendheid was. ‘De redenaar is kunstenaar’, die met taal werkt. Daarbij gaat het om de levende, echte taal. Die moet uitbeelden, verklaren, welluidend zijn en bewegen. De auteur geeft allerlei tips en trucs om vlot en goed te spreken. Ook techniek hoort erbij: een zin moet in een adem worden gezegd, dat betekent oefenen. De schrijver raadt aan ademoefeningen liggend op de rug te doen, liefst in het bos want daar is de lucht zuiver ‘en niemand komt verbaasd kijken’. Daarna kan staande verder worden geoefend met de spieren, te beginnen met de klinkers. ‘Men houdt den mond gesloten en laat de tong rustig liggen, den mondbodem daarmee geheel bedekkend. Dan welft men de tong iets, laat de onderkaak zakken, waarna – als vanzelf – huig en gehemelte worden opgetrokken, en zoodra men nu adem uitstoot, met de bedoeling klank voort te brengen, klinkt de a’. Het gedicht ‘Te Wapen’ van C.S. Adama van Scheltema is erbij gevoegd om te oefenen. De Goede besteedt ook aandacht aan gebaren. ‘Bij een eenvoudige toespraak behoort een luttel gebruik van vingers en handen. Een enkele maal mag het hoofd meedoen’. Wie op dreef raakt, krijgt deze tip: ‘Hoe geoefender redenaar, hoe geestdriftiger betoog, hoe grooter gehoor, hoe wijder ruimte, hoe sterker en breeder ook het gebaar’. Maar de schrijver waarschuwt voor overdrijving.

De Goede, die als ambtenaar van de burgerlijke stand regelmatig speechte, gaf aan zijn collega’s aanwijzingen voor huwelijkstoespraken. ‘Sentimentaliteiten behooren achterwege te blijven, want die zijn altijd af te keuren’. Samenvattend sloot De Goede af met: ‘Huwelijkstoespraken, waarvan de elementen uit het leven gegrepen zijn, zullen onderling even afwisselend kunnen zijn als dat leven zelf’. Volgende hoofdstukken waren gewijd aan de burgemeester, te beginnen met de installatierede. Met deze waarschuwing: ‘Hij toone bekend te zijn met haar aard, behoeften en deugden. Van haar ondeugden make hij slechts zeer omzichtig en liefst met een tikje humor gewag’. Als voorbeeld van een afscheidstoespraak gaf hij die van zijn oud-chef burgemeester H.P.J. Bloemers die van Rheden naar Arnhem ging en voor zijn oud-medewerker het woord vooraf schreef. De Goede vulde het aan met aanwijzingen voor onder meer waarderende, troostende en bemoedigende toespraken.

In 1940 volgde nog een herdruk. Of het boek veel gebruikt is bij het maken van toespraken is een open vraag. In ieder geval is duidelijk dat De Goede er zelf veel werk van maakte.

Huib Uil

Meer nieuws