Afbeelding

Het oproer van 20 november 1472

Column

Dit jaar is het vijfhonderdvijftig jaar geleden dat Zierikzee het toneel was van een geruchtmakend oproer. Dit zou niet het enige blijven in de Zierikzeese geschiedenis, niettemin is dat van 1472 een van de meest sensationele geweest, die de stad aan de rand van de afgrond bracht. Zoals bij vele oproeren draaide het ook hier om macht en geld.

Het jaar waarin dit oproer speelde, was geen florissante periode. Onder de toch al licht ontvlambare lagere volksklasse was er weinig nodig om de woede op te wekken. In dit geval was het de aankondiging van extra belastingen. Hertog Karel de Stoute had in verband met de door hem gevoerde oorlogen een constant geldgebrek. Namens hem kwamen twee commissarissen op 20 november 1472 overleg voeren met het stadsbestuur over de invoering ervan. Het waren de edelman Michiel van Heenvliet en Kattendijke en Nicolaas Simonsz., provisor, de hoogste geestelijke rechter op Walcheren. De extra belasting betrof accijnzen op bier, wijn, tarwe, rogge en zout. Bier werd als eerste genoemd. Vanwege het onbetrouwbare regenwater werd bier gedronken, dat een laag alcoholpercentage had. De verhogingen troffen vanzelfsprekend de armere klassen het hardst.

Een volksmassa verzamelde zich voor het stadhuis in de Meelstraat, toen een veel kleiner gebouw. Ze waren gewapend en wisten de deur te forceren. Opgezweept door twee geestelijken, de prior van het Predikherenklooster en de gardiaan van het Minderbroederklooster, bereikten de oproermakers de verdieping waar de heren vergaderden. De woede richtte zich op de twee afgevaardigden van hertog Karel. Beiden werden gelyncht en hun lijken uit het raam op straat gegooid. De stadsbestuurders sloeg de schrik om het hart. Besloten werd zich collectief verantwoordelijk te stellen als stad.

Hertog Karel de Stoute was woedend. Hij zond troepen om de stad te bezetten, verbood de handel met de stad en verklaarde de inwoners vogelvrij. Twee nieuwe commissarissen van de landsheer stelden een onderzoek in. Twaalf raddraaiers werden op de Brede brug, tegenover de Gasthuiskerk, onthoofd. Op 3 februari 1473 kwam de hertog in eigen persoon naar Zierikzee en bleef vier dagen. De hele bevolking, ook de kinderen, aangevuld met de geestelijken, trok hem weeklagend tegemoet en smeekte om genade. Karel de Stoute trok het verbod op de handel en de vogelvrijverklaring in maar liet de deuren uit de stadspoorten lichten. De privileges werden verbeurdverklaard en meegenomen. Vierentwintig gijzelaars nam de landsheer mee naar Brussel. Pas op 6 april keerden ze terug. De kanselier van de landsheer las het vonnis voor: de stad werd veroordeeld tot een boete van dertigduizend pond, met daarbij twaalfhonderd gouden kronen voor de nabestaanden van de twee omgebrachte heren. Ironisch is dat de hertog toestemming gaf de accijnzen op bier en wijn te verhogen om de boete en andere schulden te betalen. De kwitanties voor de betaalde bedragen bleven bewaard in het stadsarchief. Voor het stadhuis werd een kruis geplaatst om de inwoners te herinneren aan hun misstap. Een garnizoen bleef achter en tal van kostbaarheden van de inwoners werden meegenomen als onderpand. De bisschop van Utrecht, een halfbroer van de hertog, had de stad gestraft met een interdict van een jaar. Er werden geen missen gelezen, er werd niet gedoopt, geen huwelijken door geestelijken voltrokken, de klokken zwegen. Nadat hertog Karel de Stoute in 1477 was gesneuveld, greep Zierikzee zijn kans om de privileges terug te vragen. De Stichting Historische Spelen had, met een aanloop in 1996, in 1998, 1999 en 2010 veel belangstelling met het ‘Oproer van Zierikzee, 1472’.