Logo wereldregio.nl
Foto:

J.G. Bethe alias Philémon (1)

  Column

Vorige week stonden we stil bij Johan George Bethe (1824-1912). Deze Zierikzeeënaar zag zijn wens om dominee te worden niet verwezenlijkt. Doofheid was de oorzaak. In plaats daarvan sleet hij zijn leven achter de kantoorlessenaar. Hij was ambtenaar op de gemeentesecretarie van Zierikzee en daarnaast gemeentesecretaris van Kerkwerve en Noordgouwe.

In zijn jonge jaren wijdde Johan zich aan de schone letteren. Hij ontdekte dat hij er aanleg voor had. Het begon eenvoudig met gedichten voor familieleden ter gelegenheid van hun verjaardag of een jubileum. Vanaf halverwege de jaren veertig ging hij publiceren. Van zijn hand is een bloemrijk verslag van het landbouwfeest in 1846, opgenomen in de Zeeuwsche Volksalmanak van 1847.

De Zierikzeeënaar stuurde gedichten en bijdragen in naar tijdschriften. Wellicht is de bijdrage ‘Een dankdag’ in het letterkundig tijdschrift Europa van eind 1847 zijn eersteling geweest. In ‘Het leeskabinet’ publiceerde hij in 1849 ‘Albumbladen’. Ook in de tijdschriften Stads- en Dorpsbibliotheek en Christoterpe werden bijdragen opgenomen. Toen de Zierikzeese uitgever P.D.J. Quanjer in 1854 het nieuwe Tijdschrift ‘Lettervruchten van Hollandschen en vreemden bodem’ liet verschijnen, was Bethe een van de medewerkers.

Als een eigen uitgave verscheen: ‘Drie snippers uit mijne portefeuille’. Het was een uitgave van Quanjer in samenwerking met zijn Zierikzeese collega-boekhandelaar S. Ochtman Jz. Het 76 pagina’s tellende boekje verscheen in 1853. Om de verkoop te stimuleren hadden de uitgevers besloten het batig saldo te bestemmen voor de 8 weduwen en 26 wezen, nagelaten door 9 omgekomen varensgezellen die vanuit Hellevoetsluis op 25 oktober 1852 een vergeefse poging deden tot redding van de bemanning van het Oostenrijkse brikschip Pegno d’Amicizia. De bemanning werd uiteindelijk gered vanuit Brouwershaven.

De ‘Drie snippers’ bestonden uit drie verhalen : ‘Godsakker’, ‘Geesten’ en ‘Harten’ waarin Philémon op stichtelijke wijze de lezer lessen meegaf op zijn of haar levensweg. Bethe beriep zich op de deugd die Nederland eigen was om offers te brengen voor degenen die in nood waren. Hij merkte daarbij op: ‘die deugd der vaderen is, als een kostbaar erfgoed op hunne zonen overgegaan’. De schrijver had zijn snipperuurtje gebruikt om deze ‘snippers’ te schrijven en er was nu een goede gelegenheid die uit zijn portefeuille te halen.

Bethe neemt zijn lezers mee naar de Godsakker oftewel de begraafplaats die hem inspiratie geeft tot allerlei bespiegelingen. In ‘Geesten’ belicht Philémon allerlei soorten mensen: bekrompen geesten, onbestendige geesten, plaaggeesten, woelzieke geesten, geldgeesten en meer, om te eindigen bij de goede geesten. Dat zijn zij die oog hebben voor schoonheid: ‘De poëzij opent ook hare schatkameren voor den kunstlievenden geest’, net zoals de muziek om tot slot te eindigen bij de lezer: ‘Het geestelijke leven verdient onze hoogste belangstelling, moet ons alles zijn: het is toch een onsterflijk leven’. Philémon dringt erop aan om de vorming van de geest niet te verwaarlozen en om te wijzen op God: ‘dáár is er toch Één, die de geesten van allen ziet, ziet in hunne ware gedaante; Hij, Wiens Geest alwetend en overalomtegenwoordig is; Hij, die een Geest is, Wien we moeten aanbidden in geest en in waarheid; dáár is er toch Één, die de geesten van allen oordeelt’.

In zijn laatste bijdrage ‘Harten’ geeft Philémon een tentoonstelling van allerlei harten: dubbelhartigen, laaghartigen, lafhartigen, hooghartigen en meer van dergelijke harten. Hij eindigt met verliefde en reine harten. Ook daar wijst hij de weg naar boven door weer te geven wat de Bijbel zegt, zoals: waar onze schat is, daar zal ook ons hart zijn. Philémon roept zijn lezers op om elkaar ‘een goed hart, dat is een hulpvaardig, vergevensgezind, deelnemend en liefdevol hart’ toe te dragen.

Huib Uil