Logo wereldregio.nl
Foto:

Bomen in Zierikzee

  Column

Regelmatig is de schijnwerper gericht op bomen, vaak als het gaat om het nodig of onnodig kappen ervan. Het is mooi dat bomen in het licht staan. Niet alleen hebben ze zonlicht nodig, maar ook het licht van wijze dames en heren. Naar mate er meer over een onderwerp gesproken wordt, des te omvangrijker wordt het aantal deskundigen of zij die menen dat te zijn. De discussie over de bomen langs de Oude Haven in Zierikzee geeft aan dat ook in onze goede stad bomen op prijs worden gesteld, al of niet in vernieuwde vorm. Dat is al eeuwenlang het geval.

Het stadsbestuur was vooral de behartiger van bomen. Als ze oud genoeg waren, werden ze geveld en verkocht. De vraag naar hout was er altijd en in plaats van hout van elders te halen, was het gemakkelijker als het dichtbij was. Ook fruitbomen behoorden tot het stedelijk bezit. Een boomgaard bezat de stad op het terrein van het Driekoningenklooster aan het Jannewekken, die werd verhuurd. In 1677 mocht Marinus Molenaar die weer pachten voor zeven jaar maar moest wel toestaan dat het terrein ook gebruikt werd voor het oefenen van de schutterij. In 1684 volgde verkoop. Dat was niet erg want een andere boomgaard, op de plaats van het parkeerterrein Gasthuisboomgaard, compenseerde dat.

De stad had het recht om langs wegen en straten bomen te planten en maakte daarvan royaal gebruik. Zo werd in 1663 de Lange Blokweg beplant. Iepen, linden, abelen en wilgen sierden de stad en omgeving. Wie voor zijn huis bomen wilde planten, moest toestemming vragen aan het stadsbestuur. Zo kreeg in 1670 de herbergier op de hoek van de Varremarkt en het Kerkhof toestemming drie lindebomen te planten. De stad kon eventueel voorwaarden verbinden aan de toestemming. Zo kreeg mr. Gilles Clement in 1692 permissie om de dijk langs zijn land in de Zuidernieuwlandpolder, ten zuidoosten van de stad, te beplanten, maar de helft van de opbrengst van die bomen was voor de stad.

Ook de Oude en Nieuwe Haven waren voorzien van bomen. Voor het planten stelde de stad een ‘stadsboomplanter’ aan, die tevens belast werd met het snoeien . In 1723 werd dat Adriaan van der Sprange. Kappen en planten was een terugkerend patroon. Zo werden in 1771 de bomen op de Balie gekapt en op de plaats ervan werden in de daaropvolgende winter nieuwe geplant. Twee jaar later deed men hetzelfde aan de oostelijke en zuidelijke rand van de Balie, bij de Varreput. 

Daarnaast kreeg het onderhoud van de bomen aandacht. In 1775 werd besloten om de bomen aan de noordzijde van de Oude Haven, die toen nog doorliep tot aan de Mol, te kandelaren of snoeien en de afkomende takken te verkopen. Zo nodig werden bomen, om ze te beschermen tegen het inklimmen, omwonden met doorn. De aandacht om de stad te versieren met bomen bleef. Na de demping van een deel van de Oude Haven in 1872, waar nu het Havenplein ligt, werd meteen besloten die met bomen te beplanten, die werden geleverd door Th. van der Bom in Oudenbosch. In 1880 werden er bomen bij geplant. Nadat in 1891 het tweede deel van de Oude Haven was gedempt, werd dat beplant met 34 grote bomen, later aangevuld met struiken en heesters. De naam Havenpark lag daarom voor de hand. De stad had een eigen boomkwekerij, die lag achter de Gasthuiskerk aan de Hoge Molenstraat. Zo veel is duidelijk: de bewoners van de stad mogen zich al eeuwenlang verheugen in het bezit van bomen.

Huib Uil