Logo wereldregio.nl
Foto:

1 april 1572 – de val van Den Briel

Vijfhonderdvijftig jaar geleden, op 1 april 1572, vond de val van Den Briel plaats. Het was een gebeurtenis die de loop van de geschiedenis ingrijpend zou veranderen. De strijd tegen de Spaanse koning kreeg een wending die uiteindelijk leidde tot het ontstaan van het huidige Nederland. Het was geen doelbewuste actie. De watergeuzen die de stad namens prins Willem van Oranje in bezit namen, waren dat niet van plan geweest. Het verrassingseffect was groot. De val van Den Briel, nu Brielle, werd gevolgd door de overgave van Vlissingen en in Zeeland vervolgens van Veere en op 8 augustus Zierikzee. Andere steden elders volgden.

Hoe bereikte het nieuws van de inname van Brielle Schouwen? Claes Vaer, een stuurman uit Brouwershaven, keerde terug in zijn vaderstad. Hij vertelde hoe zijn schip door de watergeuzen voor de kust van Walcheren was genomen. De geuzen hadden het schip en andere meegenomen naar Brielle. Daar was Claes ooggetuige geweest hoe de geuzen, die vernamen dat er in de stad geen garnizoen was, de stad hadden ingenomen. Ze hadden de belangrijkste personen in hechtenis genomen en zwaar bewaakt. De geuzen hadden verteld dat andere schepen verwacht werden en samen zouden dat er wel honderd worden. Verteld werd dat ze naar Texel wilden varen om daar de schepen van de koning aan te vallen. Maar toen de wind de verkeerde kant op bleef waaien, zijn ze bij Egmond teruggekeerd. Ze waren toen de Maas opgevaren en bij Brielle gekomen, dat ze nu hadden ingenomen.

Claes Vaer was erin geslaagd te ontsnappen en naar zijn woonplaats gegaan. Vandaar was dit nieuws doorgegeven aan het stadsbestuur van Zierikzee. Dat had onmiddellijk boden uitgezonden naar het land van Voorne om meer te weten te komen. Van mensen uit Holland hoorde men in Zierikzee dat de kustplaatsen in Holland in rep en roer waren. De graaf van Bossu was in de buurt gelegerd met vierhonderd soldaten, voorzien van geschut. De schutters van Delft waren naar Delfshaven getrokken en ook in Schiedam was men in staat van paraatheid. Het Zierikzeese stadsbestuur hield contact met hun collega’s in Brouwershaven en ook met Bommenede, de versterkte plaats ten oosten van Brouwershaven. Samen wilden zij de eilanden Schouwen en Duiveland behouden voor de koning, zo hadden ze geschreven aan de landvoogd, de hertog van Alva.

Om bekendheid te geven aan dit nieuws schreef het Zierikzeese stadsbestuur aan hun collega’s in Goes om hen te waarschuwen. Die brief werd ‘met haeste’ geschreven op 4 april, het was Goede Vrijdag, en nog diezelfde dag in Goes bezorgd. De schrijver was de stadssecretaris van Zierikzee, mr. Cornelis Adriaensz. Backer (c.1520-1583), die sinds 1558 die functie bekleedde.

Dat deze gebeurtenissen veel emoties losmaakten, lezen we terug in het slot van de brief. ‘Ende hopen dattet al uyt zoe quaet nyet en es als men luyde es roupende’, vrij vertaald: We hopen dat het niet zo erg is als men nu luid roept. Om dan te besluiten met: ‘God almachtig, wil gratie geven, dattet ten minsten quetse van den lande vergaen moet’. Met andere woorden: God almachtig wil ons nog vrijwaren dat het met de minste schade van het land mag gaan.

Dat laatste bleef een wens. Ook Schouwen en Duiveland moesten een zware tol betalen tijdens het beleg van Zierikzee in 1575/1576. Negen maanden lang werd geprobeerd de stad te behouden voor de prins van Oranje. Na de capitulatie duurde de bezetting niet lang. Maar de schade was enorm. Menig dorp was geplunderd en geheel Schouwen stond onder water. Het herstel zou veel vergen en sommige dorpen vervielen als gevolg van deze strijd tot gehuchten of minder.

Huib Uil