Afbeelding

De heldendaad van Jan Lieven Heere, 21 april 1576

Column

Vierhonderdvijftig jaar geleden, in april 1576, waren alle ogen op Zierikzee gericht. Daar concentreerde zich de strijd tussen de troepen van de Spaanse koning en de opstandelingen onder leiding van prins Willem van Oranje. Het behoud of de val was van cruciale betekenis voor het verloop van de strijd. De vooruitzichten om de stad te behouden, waren somber. In maart 1576 waren de Spaanse troepen onder leiding van Christóbal de Mondragón erin geslaagd de toegang tot de stad via het water af te sluiten. De vijandelijkheden waren beperkt omdat het eiland Schouwen geïnundeerd was en de Spaanse troepen de stad niet konden naderen. Mondragóns hoop dat het zou gaan vriezen om zo de stad te bestormen, vervloog want het was een zeer zachte winter. Het water dat de stad omringde, bood de mogelijkheid om met kleine schuiten de vijand afbreuk te doen. Af en toe lukte het deze schuitjes over de dijk te zetten en zo de communicatie met de geuzenvloot te onderhouden. Maar ook dat werd steeds minder. De koninklijke troepen maakten loopgraven in de lengte van de dijk om zo aanvallen des te beter te kunnen afslaan.

Op 28 maart slaagde men erin de admiraal van Zierikzee, Adriaan Willem Symonsz., over de dijk te brengen. Hij was in 1572 door de prins van Oranje aangesteld als admiraal over de vloot die zich op de Oosterschelde bevond. De admiraal had zich verdienstelijk gemaakt in de daaropvolgende jaren in de strijd. Zo had hij met Lodewijk de Boisot de leiding gehad van de vloot die de stad Leiden in het najaar van 1574 wist te ontzetten. Tijdens het beleg van Zierikzee was de Zierikzeese admiraal actief door met een vloot van zestien schepen voorraden in de stad te brengen. Ook daarna voerde Adriaan Willem Symonsz. zijn manschappen aan bij gevechtsacties. Bij een van deze acties, op 9 januari, werd hij zwaar gewond aan zijn rechterarm. Bij het vervoer van de admiraal op 28 maart naar de geuzenvloot op de Oosterschelde was deze vergezeld door de scheepskapiteins Jan Lieven Heere en Jan Schagt. Beiden keerden op 17 april ’s nachts zwemmend naar de stad terug met pakken brieven in leren zakken op hun rug gebonden. Het op die wijze overbrengen van brieven was vanzelfsprekend zeer riskant. Daarom werd liever gebruik gemaakt van postduiven, maar die moesten eerst worden overgebracht. Opnieuw stelden Jan Lieven Heere en Jan Schagt zich beschikbaar om nu in de omgekeerde richting de zwemtocht te ondernemen.

Op 21 april gingen Heere en Schagt op weg met de duiven om zijn nek. Nadat ze het water waren ingegaan om naar de geuzenvloot te zwemmen, werden ze gesignaleerd door manschappen van Mondragón. Schagt zei tegen Heere: ‘laat ons naar land zwemmen en ons aan de vijand overgeven; wij zullen het leven wel behouden’. Maar Heere weigerde: ‘Ik ga niet naar de vijand, laten we, zo hier geen hoop is om over te zwemmen, elkaar in de armen nemen en samen verdrinken’. Maar Schagt zwom weg en kwam bij Borrendamme aan land waar hij gevangen werd genomen. Jan Lieven Heere daarentegen koos voor de heldendood en verdronk. Naderhand heeft Schagt zijn verhaal kunnen vertellen aan iedereen die het wilde horen.

Het verhaal van Lieven Jan Heere kreeg grote bekendheid doordat de dichter Hendrik Tollens (1780-1856) het in dichtvorm bewerkte. Het verscheen in 1855/1856. Tollens wordt gezien als de grootste Nederlandse dichter van zijn tijd. Zijn ‘Wien Neêrlands bloed’ was lange tijd ons volkslied. Tollens gedicht over Lieven Jan Heere eindigt met:

En Lieven sloot aan wederzijên

Zijn hangende armen langs de dijen,

Gedacht zijn ziel, en zonk.

Huib Uil

Meer nieuws