Afbeelding

Mannen van de kaai, een roman uit Bruinisse

Column

‘Stemt Bosman!’, zo begint de roman van Jan Breunesse die in 1938 verscheen onder de titel ‘Mannen van de kaai’. De auteur was onderwijzer geweest in Bruinisse en had de dorpssamenleving ruim vier jaar meegemaakt. Breunesse had zijn ogen en oren goed gebruikt en dat leverde een schat aan herinneringen op, die hij koesterde.

‘Stemt Bosman! Bosman, de man tegen de waterleiding. Bosman, de man, die iedereen kent; die bij hoog water de eerste is om te helpen; die bij brand in de voorste gelederen staat. Bosman, wiens onkreukbare trouw en toewijding alom bekend is, is degene, die onpartijdig de belangen van iederen dorpsgenoot zal behartigen. Daarom medeburgers, stemt Bosman!’. Verderop is het onvervalste Zeeuws en Bruus op bijna elke bladzijde te lezen. Het citaat waarmee de roman begint, brengt ons middenin de verkiezing van de nieuwe gemeenteraad. Een datering staat er niet bij, maar het speelt in 1931. De liberalen zijn in de meerderheid: ze bezetten vier van de zeven zetels in de Bruse gemeenteraad. De Antirevolutionaire Partij (ARP) heeft er twee en de Staatkundig Gereformeerden een. Maar er zit verandering in de lucht. ‘Nieuwe leden moeten er komen met nieuwe ideeën. Met de oude sleur moet gebroken worden. Nieuwe bezems vegen schoon’.

Bosman moet veel van zichzelf overwinnen. Vroeger had hij altijd gezegd dat een ambt in de kerk niet te combineren was met een ambt in de wereld. En nu stemt hij erin toe, terwijl hij diaken is ‘in de kleine kerk’, de aanduiding van de Oud Gereformeerde Gemeente. Hij concludeert dat het mag als hij beide ambten maar verricht tot eer van God. Met de steun van onder meer de mannen van de kaai, de schippers, wordt Bosman gekozen en ook de nummer twee op zijn lijst. Links kreeg minder stemmen, maar behield wel de vier zetels. De ARP verloor er een en de SGP verdween uit de raad.

Bosman is de steun en toeverlaat van velen in het dorp, zeker voor hen die in nood zijn. Zijn Godsvertrouwen, eerlijkheid en bescheidenheid zijn sieraden. In het dorp waar de afgunst tussen de mosselvissers groot kan worden, probeert Bosman oprecht te blijven. Luuzze, Vleermuus, Buukje, het zijn de bijnamen waaronder de schippers bekend zijn. Of namen zoals Jaap van Arie en David van moei Mietje. Onder hen leveren roddels en laster narigheid op. Dan is er de dreiging dat er een naar ’t steen moet, waarmee het Gravensteen, het huis van bewaring in Zierikzee, wordt bedoeld. Het gezag is in Bruinisse in handen van veldwachter Jansma, die, vanwege zijn bazige vrouw, liever op straat is dan thuis. Tussen alle Bruse problemen door, probeert Bosman trouw te blijven aan zijn geweten. De afloop is dat dit niet lukt; hij bedankt als raadslid: ‘Ik bluuf bie me ambt in de kerke, want twee ambten ‘elieke is niks’.

De roman werd in het voorjaar van 1938 uitgegeven door Bosch & Keuning in Baarn. De illustratie op het voorplat was van Karel Hoekendijk. De recensies in de pers waren wisselend. De Telegraaf vond het een ‘buitengewoon sympathiek boek’. P.J. Risseeuw, recensent van het Zondagsblad van vijf samenwerkende christelijke kranten, was van oordeel dat de auteur de personages dieper had moeten peilen. Andere recensies waren negatief, maar waardeerden het debuut van de auteur. Het boek kreeg een tweede druk. Opvallend was dat sommigen de roman situeerden in Sint Philipsland, Stavenisse, Sint Maartensdijk en zelfs in Zeeuws-Vlaanderen.

Bosman was in werkelijkheid Marinus Boone. Meer over hem en de auteur Jan Breunesse in de volgende twee weken.

Huib Uil

Meer nieuws